Middenbouw

Tijdens de eerste twee jaren van het secundair onderwijs, de middenbouw, ligt de focus enerzijds op begeleiding bij de overstap van lagere school (onderbouw) naar het middelbare onderwijs en anderzijds op het voorbereiden van de verdere studies in de bovenbouw.

Daarom heeft de middenbouw een vorm die het midden houdt tussen de twee: de grote rol die de klastitularis wordt toebedeeld en de sterk persoonlijke begeleiding die wordt aangeboden maken de overstap dragelijk, terwijl de leerinhouden sterk aanleunen bij (en een grondige voorbereiding zijn op) de bovenbouw.

Ook de jongeren bevinden zich op dit punt in hun ontwikkeling in een overgangsperiode: ze kunnen niet meer geheel ten rechte ‘kind’ genoemd worden, maar ook de volwassenheid is nog niet bereikt. De jongere wordt zich in deze prille jaren van de puberteit voor de eerste keer ten gronde van zichzelf bewust. Dat vraagt om een bijzondere pedagogische aanpak en een gedegen begeleiding. Daarom worden de leerlingen in deze eerste graad omringd door een klein aantal vakleerkrachten, met de klastitularis als belangrijkste ankerpunt. Daarnaast worden de leerlingen en klassen wekelijks besproken en breed begeleid in de lerarenvergadering en opgevolgd door de zorgcoördinator.

Naast de omhulling door het lerarenteam, speelt ook het curriculum in de eerste graad nauw in op de noden van de jongere. In het periodeonderwijs is er veel aandacht voor de verschillende manieren waarop jongeren leerstof verwerken: er wordt zorgvuldig gewerkt aan belangrijke vaardigheden zoals het nemen van notities, verwerken van aantekeningen en het leren studeren. Om deze vaardigheden optimaal te ontwikkelen, maken we weinig gebruik van handboeken. Voor de meeste vakken verzorgen de leerlingen hun eigen lesmateriaal.

Zevende klas

De zevende klas (eerste middelbaar) is een ontdekkingsreis op zich. De jongeren laten het bekende terrein van de onderbouw achter zich en zetten de eerste stappen in de middenbouw. Ze ontdekken niet alleen nieuwe vrienden, nieuwe vakken en nieuwe vaardigheden, maar ook zichzelf. Zoals alle grote ontdekkingstochten gaat dit niet vanzelf, en komt de jongere onderweg allerlei moeilijkheden tegen die overwonnen moeten worden. Om zich te sterken en te spiegelen worden in de zevende klas dan ook talloze verhalen verteld over allerlei ontdekkingen: van de grote ontdekkingsreizen door Magellaan en Marco Polo tot belangrijke uitvindingen in de wetenschapsvakken en het verkennen van de sterrenhemel in de aardrijkskunde. Ook in andere vakken worden de jongeren uitgedaagd om hun eigen grenzen te verleggen: zichzelf te uiten in het vreemdetalenonderwijs, te proeven van de cultuur van het Engels en het Frans, doorzetten tijdens de houtbewerking en tuinbouw.

Afbeelding
Werken aan de periodeschrift.

Achtste klas

Na de ontdekkingen in de zevende klas volgt een periode van grote innerlijke roering, waarbij de jongere een periode van revolutie doormaakt. Niet alleen uiterlijke revolutie, tegen vormen van autoriteit en voorheen geaccepteerde waarden en normen, maar ook en vooral een innerlijke revolutie, waarin de zoektocht naar het eigen ik een hoge vlucht neemt. De puberteit ontwaakt en de achtsteklasser lijkt mijlenver te staan van de jongere die we vorig jaar leerden kennen. Om de jongere bij te staan tijdens deze periode van innerlijke woeling, wordt vooral veel structuur voorzien: een sterke focus op grammatica in de taalvakken, het doorgronden van de fysische werkelijkheid in de wetenschapsvakken, het perspectieftekenen in de plastische opvoeding. Daarnaast worden ze nog steeds bijgestaan door de klastitularis en leerkrachten, die hen begeleiden in hun innerlijke zoektocht en het proces naar meer zelfredzaamheid, zodat zij met een stevige basis aan de tweede graad kunnen beginnen.