Onze pedagogie

In onze school wordt lesgegeven volgens de principes van de Rudolf Steinerpedagogie. Deze heeft als uitgangspunt om de mens te begeleiden op zijn of haar ontwikkelingsweg tot een vrij denkend, handelend en voelend individu. Om deze ontwikkeling tot stand te brengen, is het nodig om op bepaalde momenten in dit proces bepaalde ontwikkelingsstof aan te dragen. We spreken in onze pedagogie daarom niet zozeer van ‘leerstof’ (kennis die vergaard moet worden) als wel van ‘ontwikkelingsstof,’ materie die zeer doelbewust voor een bepaalde leeftijdsgroep is uitgekozen om hen op dat punt van hun ontwikkeling bij te staan.

Daardoor volgt het curriculum van de steinerschool vaak een atypisch parcours ten opzichte van het reguliere onderwijs en wordt, bijvoorbeeld, de geschiedenis niet chronologisch aangebracht, maar nauw gerelateerd aan deze ontwikkelingsweg. Zo gaan zevendeklassers (eerste middelbaar) op onderzoek naar de ontdekkingsreizigers, bestuderen achtsteklassers de grote revoluties op het moment dat de puberteit ontluikt en bestuderen de jongeren in de negende klas, tijdens de hoogdagen van de puberteit, de idealen en ideeën van de negentiende en twintigste eeuw.

Op die manier wil de steinerpedagogie de jongere bijstaan in de ontwikkeling van de jongere. Deze ontwikkelingsweg is niet tegengesteld aan de maatschappelijke verwachtingen en eisen, maar moet eerder worden opgevat als complementair. Hij wil een aanvulling zijn op de visie op de mens als een gevolg van zijn of haar genetische voorbepaaldheid en maatschappelijke opvoeding door de individuele ontwikkeling, de ontwikkeling van de eigenheid van de jongeren een prominentere rol toe te bedelen.

Centraal in deze visie ten opzichte van onderwijs is de gedachte dat de jongere nooit ten volle tot ontwikkeling gebracht kan worden wanneer men slechts inzet op de cognitieve ontwikkeling van de mens. Een dergelijke eenzijdige ontwikkeling zorgt voor een kille intelligentie, wanneer deze niet verbonden wordt met het gevoelsleven en een doordacht handelen.

De steinerpedagogie wil dan ook deze drie gebieden tot ontwikkeling brengen: de jongere in staat stellen om kritisch, reflectief, causaal en associatief te denken, de gevoelswereld te ontwikkelen en vrijheid en daadkracht in het handelen te bekomen. Ons curriculum is zo ontworpen dat deze drie gebieden niet alleen in de verschillende vakken voorkomen, maar eveneens binnen elk vak een rol spelen. Zo vraagt bijvoorbeeld binnen het vak Nederlands het toneelspel om heel wat empathie, het van buiten leren van de tekst om een wilsinspanning en het inzicht in wat er gezegd wordt om een grote mate van tekstbegrip.

Wanneer deze drie gebieden tot ontwikkeling komen in de jongere, kan deze de vrijheid in het denken, voelen en willen ervaren en met grote dosis zelfstandigheid, zelfredzaamheid en zelfkennis de toekomst tegemoet treden.

Afbeelding
Houtbewerking

Een toekomstgerichte pedagogie

De steinerpedagogie wil dan ook een toekomstgerichte pedagogie zijn. Het is verleidelijk om het onderwijs in te richten naar de wensen van de maatschappij vandaag, maar dit is in een steeds sneller veranderende wereld, niet de samenleving waaraan de jongeren die vandaag schoollopen zullen bijdragen. We willen daarom toekomstgericht werken; de jongeren in staat stellen om autonoom, authentiek en met een brede algemene vorming op hun beurt de maatschappij mee vorm te geven. We moeten zonder de wensen van de maatschappij vandaag uit het oog te verliezen, steeds vertrekken vanuit de jongere en tot ontwikkeling brengen wat reeds in hen in de kiem aanwezig is. Rudolf Steiner vatte het als volgt samen:

‘De vraag is niet, wat de mens moet kunnen en weten teneinde zich in de bestaande sociale orde te kunnen inpassen; maar wel, wat is in aanleg in de mens aanwezig en wat kan in hem ontwikkeld worden. Dan wordt het mogelijk dat de opgroeiende generatie aan de maatschappij steeds nieuwe krachten aanreikt. Dan zal in de samenleving steeds datgene tot ontwikkeling kunnen komen, wat de er binnentredende generatie van mensen in zich draagt. Maar van de opgroeiende generatie mag niet datgene gemaakt worden, wat de bestaande maatschappij van deze generatie maken wil.’

In De Es worden de algemene vakken gebundeld in periodes. In plaats van elke schoolweek bijvoorbeeld een uur aardrijkskunde te onderwijzen, worden deze lesuren samengevoegd tot een geheel. Zo'n periode duurt drie schoolweken en elke ochtend wordt er twee uur aan dit vak gewerkt. Deze geconcentreerde manier van werken voorkomt enerzijds versnippering van een bepaald vak of vakinhoud, anderzijds staat het ons toe om op een korte periode een grote hoeveelheid ontwikkelingsstof aan te bieden.

Tussen twee periodes van eenzelfde vak bezinkt de leerstof, zodat het in stilte kan doorwerken en rijpen. Gedurende een schooljaar kunnen elf vakken elkaar als periode afwisselen. Geschikte vakken hiervoor zijn o.a. wiskunde, fysica, scheikunde, biologie, aardrijkskunde, geschiedenis en Nederlands. Vaak (maar niet noodzakelijk) wordt de periode afgesloten met een overkoepelende periodetest, een soort examen.

Na het periode-onderwijs krijgen de leerlingen vakken waarvoor het nodig is dat zij op een regelmatige manier doorheen het jaar worden aangeboden: de vreemde talen, Nederlands, wiskunde, muzikale en lichamelijke opvoeding.

Vanaf de negende klas worden ook de kunstzinnige en praktische vakken in periodes gegeven. Deze periodes worden, afhankelijk van het leerjaar, in de voor- of namiddag georganiseerd.

Onze school zet sterk in op het ontwikkelen van eigen lesmateriaal. Dit gebeurt enerzijds door de leerkrachten, die veelal met eigen lesmateriaal werken, en anderzijds door de leerlingen die reeds vanaf de zevende klas begeleid worden in het nemen van eigen notities en aangemoedigd worden in het volbrengen van zelfstandige opdrachten.

Centraal in de ontwikkeling van deze vaardigheden staan het periode-onderwijs, waarin de leerling zelf leert noteren, en de jaarwerken, waarin de leerling zelf door middel van een planning en begeleiding tot een authentiek werkstuk komt.

Vanaf de zevende klas wordt ook ingezet, o.a. door het jaarwerk, op het zelf vergaren van informatie aan de hand van verschillende bronnen (journalistiek, bibliotheken, internet). In de tiende klas komen deze vaardigheden nog uitgebreider aan bod en vanaf dan worden ze verder verfijnd.

Ook in het reguliere onderwijs ontstaat er steeds meer ruimte voor een vakoverschrijdend of zelfs niet-vakgebonden curriculum. De steinerschool kent echter een lange traditie van vakoverschrijdend werken. Omdat de steinerschool haar eigen eindtermen heeft, kan ze bovendien een aantal van de vakoverschrijdende eindtermen in verschillende vakken opnemen. Zo wordt leren leren, inzetten op de sociale structuur van een klas en ICT niet in een (afzonderlijk) vak opgenomen, maar komt het in tal van vakken aan bod.

Voorbeelden van vakoverschrijdende projecten zijn de verschillende toneelprojecten (achtste en twaalfde klas) waarin de verschillende ateliers (drukatelier, textielatelier en houtatelier) ondersteuning bieden, de poëzieperiode die als slotstuk een poëzie-avond kent en waarin zelfgeschreven (Nederlands) en -gevonden (esthetica) gedichten aan bod komen (tiende klas) en de Chartresreis (elfde klas) waarin esthetica, Frans, middeleeuwse geschiedenis en de literatuurstudie samenkomen.

Het uitgangspunt van onze pedagogie is een brede, algemene vorming, waarbij de jongere in vele verschillende vakken onderwezen wordt. We gaan daarmee in tegen de maatschappelijke tendens om al vroeg te specialiseren, met veel vertrouwen in het vermogen van de jongere om deze specialisatie met eenzelfde effectiviteit op een later moment op te starten.

Mede daarom zijn onze klassen eerder heterogeen wat betreft talent en interesse. Een leerling met een voorliefde en talent voor taal die het wat moeilijker heeft met wiskunde zit in eenzelfde klas als een leerling die na zijn of haar middelbare studie een wetenschappelijke richting overweegt.

Dat wil echter niet zeggen dat we niet tegemoet komen aan de vraag naar differentiatie. Reeds vanaf de zevende klas zet de school in op differentiatie. In de eerste graad (zevende, achtste klas) is dit opgenomen in een apart ingericht differentiatie-uur. In de tweede graad (negende, tiende klas) wordt reeds in het vak wiskunde gedifferentieerd, de twee klassen van eenzelfde jaar worden dan samengevoegd en verdeeld naargelang interesse en talent voor wiskunde. Vanaf de derde graad (elfde, twaalfde klas) wordt volgens hetzelfde principe gedifferentieerd voor de vreemde talen (Frans, Engels). Er wordt voor elke groep afzonderlijk gekeken naar de samenstelling. Een leerling kan dus, in overleg met de betrokken vakleerkracht en de klastitularis en mits goedkeuring, kiezen om bijvoorbeeld in de basisgroep Engels en de verdiepingsgroep Frans en wiskunde te zitten.

Uiteraard wordt ook in de andere vakken gedifferentieerd.

De klastitularis speelt een belangrijke rol in de middenbouw (klas zeven en acht). Niet alleen geeft de klastitularis een groot deel van de vakken in zijn/haar klas, hij/zij is ook het eerst aanspreekpunt voor de leerling en ouders en een sleutelpersoon bij zorg- en andere gesprekken. Een klastitularis volgt een klas gedurende de gehele middenbouw. De functie van de klastitularis is dubbel: enerzijds de klas vormen en omhullen, anderzijds werken naar een grotere mate van zelfredzaamheid.

In de bovenbouw (klas negen tot twaalf) verandert de functie van de klastitularis en de leraar. De jongeren hebben dan minder behoefte aan leiding, aan een vertrouwde autoriteit; de autoriteit komt steeds meer te liggen bij de vakkennis en -bekwaamheid van de individuele leerkracht. In plaats van een vertrouwde klastitularis die een groot deel van het lessenpakket verzorgt, komt een groep vakexperten. De klastitularis blijft echter een belangrijke functie vervullen; veel van de oorspronkelijke functie blijft overeind (eerste aanspreekpunt, volgt de leerling gedurende meerdere jaren op), maar het proces naar een grotere onafhankelijkheid en zelfredzaamheid wordt met rasse schreden voortgezet.

De steinerpedagogie wil een algemeen vormende pedagogie zijn. Zoals je onder ‘differentiatie’ kunt lezen, wil dit echter niet zeggen dat er geen ruimte is voor individualisering. Het jaarwerk is een van vele manieren waarop ruimte wordt gemaakt voor de individuele weg van de jongere.

De precieze invulling van de jaarwerken vind je hier.
Het algemene principe is echter dat de leerling, ex-curriculum, elk jaar tot en met de tiende klas een jaarwerk onderneemt. Het kader voor dat jaarwerk staat vast (ontdekkingen in de zevende klas, een uitvinding in de achtste klas, een biografie in de negende klas en een bronnenstudie van een sociaal en/of ecologisch thema in de tiende klas). Binnen het kader krijgt de leerling echter de vrijheid om eigen klemtonen te leggen, het werk zelf te plannen en tot eigen inzichten en besluiten te komen. Uiteraard groeit deze vrijheid naarmate de expertise van de leerling groeit doorheen de verschillende jaren.

In de elfde en twaalfde klas werken de leerlingen aan een eindwerk, een oorspronkelijk en persoonlijk werk waarvoor zij zelf een onderwerp kiezen en waaraan zij gedurende twee jaar werken onder begeleiding van een mentor. Het staat de leerling zo goed als vrij om zelf tot een onderwerp te komen, hetzij kunstzinnig, theoretisch, technisch, of een combinatie van deze invalshoeken. Na afloop van dit tweejarig onderzoek presenteren de leerlingen hun eindwerk aan een publiek van leerlingen, ouders, leerkrachten en geïnteresseerden. Voorbeelden van eindwerken vind je hier.

De steinerpedagogie beoogt “onderwijzend opvoeden”. In de ontwikkeling van de gehele persoon streven we naar een evenwicht tussen een theoretische, een kunstzinnige, een algemeen praktische en een technische vorming. Om dit te verwezenlijken en om onze onderwijsvrijheid te vrijwaren ontwikkelde de Federatie van Steinerscholen Vlaanderen (onze overkoepelende organisatie) voor het aso en tso eigen, weliswaar gelijkwaardige eindtermen, doelstellingen en inhouden die in eigen leerplannen en eigen lessentabellen geconcretiseerd worden.

De eigen eindtermen kun je via de website van de federatie nalezen.
Onze eigen lessentabellen vind je hier.

De inschrijving van je kind in De Es is tegelijk het begin van een persoonlijk engagement.

Allereerst is er de noodzaak om kennis te maken met de pedagogische achtergronden en motieven van de school. De mate waarin dit gebeurt is uiteraard een individuele kwestie, maar de ervaring leert hoe belangrijk het is dat ouders zich verdiepen in het gehanteerde mensbeeld en er de pedagogische consequenties van leren kennen. De gezamenlijke ouderavonden en voordrachten door externen zijn hiertoe de ideale momenten, maar ook talrijke boeken en publicaties zijn hiervoor geschikt.

Deze school vraagt echter ook om praktische inzet en organisatie. Hulp bij werkdagen en feesten, het verzorgen van de seizoenstafel in de klas, het bakken van cake voor een ouderavond en alle andere kleine en grote dingen maken de school tot een sociale gemeenschap waarin ieder zijn steentje bijdraagt tot het welslagen van een uniek project. Klik hier voor een overzicht van de ouderwerkingsgroepen.

De steinerpedagogie beschouwt de ontwikkeling van de mens als een stapsgewijs proces, waarbij eerst het eigen wilsleven ontwikkeld wordt, daarna een persoonlijk gevoelsleven en tot slot een eigen oordeelsvermogen en moraliteit. De basis voor deze ontwikkeling wordt tijdens het schoolgaan gelegd; de ontwikkeling loopt echter een leven lang door. Elk van deze ontwikkelingsfasen vraagt echter een unieke aanpak, zowel wat betreft de inhoud als de manier waarop de jongere begeleid wordt. Daarom zet de steinerpedagogie bewust in op leeftijdsgerichte pedagogie.

Centraal staat dan ook de vraag wat de jongere op dit moment in de ontwikkeling nodig heeft om de volgende stap te zetten en hoe we hen daarbij het best kunnen begeleiden.

De Es biedt een brede vorming aan, waarin de diverse vakken die worden aangeboden als evenwaardig worden beschouwd. De vaardigheden die de leerlingen in de verschillende vakken aanleren en de kennis die zij verwerven, wordt voor het overgrote deel door permanente evaluatie (toetsen, testen, verhandelingen, presentaties, huistaken) beoordeeld. Daarnaast zijn er een aantal grotere testmomenten, verspreid doorheen het jaar. Zo leggen de leerlingen (meestal) na afloop van een ochtendperiode een periodetoets af, een soort examen. Vanaf de tweede graad (negende klas of derde middelbaar) leggen de leerlingen tweemaal per jaar een examen Engels, Frans en wiskunde af. Zo wordt naast de permanente evaluatie elk cognitief gericht vak gekoppeld aan een groter testmoment, zodat nagegaan wordt of de leerlingen in staat zijn om grotere hoeveelheden leerstof te verwerken.

De resultaten van de permanente evaluatie, de periodetoetsen en examens worden in de middenbouw viermaal (voor de herfst-, kerst-, paas- en zomervakantie) per schooljaar meegedeeld in een rapport; in de bovenbouw is dit driemaal (voor de kerst-, paas- en zomervakantie). In dit rapport wordt elk vak toegelicht middels een spiegeltekst en een formele beoordeling. Daarnaast vind je ook een persoonlijke tekst van de klastitularis die een aantal overkoepelende opmerkingen, complimenten of bedenkingen verwoordt. Na het kerst- en paasrapport is er steeds een mogelijkheid om met de leerkrachten in gesprek te gaan.